Wachtebeke

In december 1913 telde gemeente Wachtebeke 5.621 inwoners, wat een duizendtal gezinnen betekende. Toen de oorlog eraan kwam, werden 232 jonge mannen opgeroepen om het land te verdedigen. Bij hen voegden zich 14 vrijwilligers. Het was één van de vrijwilligers die de eerste gesneuvelde van de gemeente was, op de derde dag van de oorlog. In totaal zouden 32 Wachtebekenaren niet terugkeren.

Rond 1 september 1914 waren er in Wachtebeke 317 vluchtelingen, waarvan de meeste uit Mechelen kwamen. Later kwamen er ook uit Aalst en Lokeren. Als gevolg van de ontruiming van Antwerpen passeerden ook talloze soldaten door de gemeente, deels per trein, maar ook veel te voet.

Er is enige discussie mogelijk over de datum waarop de eerste Duitse troepen de gemeente binnen marcheerden, maar waarschijnlijk was het op 10 oktober, de dag van de val van Antwerpen. Ze bleven twee dagen. De ganse bevolking was op de vlucht geslagen, vooral de mannen, wat het voor de Duitsers gemakkelijk maakte de gemeente grondig te plunderen. De eigenlijke bezettingstroepen kwamen pas op 24 november aan.

Wachtebeke is een grensgemeente en werd dus geconfronteerd met de beruchte elektrische afscherming langs de grens, de doodendraad. Op het gehucht Overslag sneed deze een gedeelte van de inwoners af van de rest van de gemeente, o.a. de uitspringende Sint-Elooipolder. Volgens het oorlogsverslag van de lokale pastoor, opgemaakt in 1919, volgde de draad in het centrum van Overslag in eerste instantie min of meer de grens, maar werd hij in maart 1916 achteruit geschoven tot achter de kerk en de pastorij. Waarna de Nederlanders op hun beurt een draad plaatsten, waar de Duitse oorspronkelijk had gestaan. Met als gevolg dat 196 mensen als in een kooi opgesloten zaten, waar ze een erbarmelijk leven leidden. Er was tekort aan alles en ze kregen pesterijen te verduren van de Nederlandse grensbewakers.

Tekorten waren trouwens algemeen: iedereen had honger. Vanuit dit standpunt gezien is het verbazend vast te stellen dat de klassieke toenmalige hulpdiensten, te weten het Burgerlijk Godshuis en het zogenaamde Armbureau, relatief weinig invloed ondergingen van de oorlog. Dit kan alleen verklaard worden door de aanwezigheid van de lokale afdeling van het gekende Nationaal Hulpcomité. Er ging veel geld naar het Nationaal Comité, zoals trouwens overal, want het geleverde voedsel diende geheel of gedeeltelijk te worden betaald.

Feit is dat de gemeente in de kortste keren zwaar in de schulden kwam te zitten. De betalingen aan het Comité zitten daar zeker voor iets tussen, maar vooral moet het te wijten zijn aan de diverse opeisingen door de Duitsers en de gemeente zelf. Het lijkt erop dat deze opeisingen in eerste instantie aan de boeren betaald werden door de gemeente. Er is een lijst teruggevonden uit 1916 waarop 88 opeisingen vermeld staan, voor een bedrag van 39.956,50 frank. Het is echter geweten dat de Duitsers geheel of gedeeltelijk de aan hen verplichte leveringen terugbetaalden, toch zeker tot in 1916 (latere bewijzen zijn niet teruggevonden).

Wachtebeke kreeg ook af te rekenen met de verplichte tewerkstelling. Op 29 november 1916 kwamen hieromtrent de eerste bevelen binnen: op 6 december dienden de eerste vijf personen te vertrekken. De gemeenteraad stemde ermee in aan elke opgeëiste twee dekens en de som van 25 frank te verstrekken. Het totale aantal verplicht tewerkgestelden is niet bekend.

Om de uitgaven het hoofd te bieden werden de lokale belastingen verhoogd, maar dit was ruim onvoldoende. Er zat niets anders op dan leningen aan te gaan. Na een mislukte poging geld te lenen bij de stad Gent, besloot de gemeente het geld te halen waar het te vinden was: bij de eigen welgestelden, de zogenaamde 'bijzonderen'. Zo werd, alleen al in 1915, 49.000 frank geleend. In april 1917 was 106.000 frank nodig, opgehaald bij de eigen kapitaalkrachtige inwoners. Alleen de opeisingen door het Duitse leger bedroegen toen al in totaal 94.000 frank.

Materieel bleef de schade in Wachtebeke relatief beperkt. Er waren beschadigingen en vernielingen die aangericht werden door de bezettingstroepen. Vanaf 1 november 1918 waren de Belgische troepen opgerukt tot tegen het kanaal Gent-Terneuzen, vanwaar ze de Duitsers in Wachtebeke bestookten met artillerievuur. Volgens toenmalig pastoor Vanderstée werden in de nacht van 4 november bijna 150 granaten afgevuurd, die aan één inwoner het leven kostten. De kerk werd de laatste drie weken door marinesoldaten ingenomen, waardoor zij zwaar gehavend werd en een tweehonderdtal stoelen werden gebruikt als brandhout. Waarna door missen en gebeden Maria en het H. Hart bedankt werden voor hunne bescherming, aldus de pastoor in zijn oorlogsverslag.

Tekst Luc De Maesschalck